Ik was naar zee met de drie jongste, voor veertien dagen. Het had me goed moeten doen, maar ik vond geen rust, misschien een voorgevoel van de naderende ramp. Ik telde de dagen af van mijn vakantie maar ik wou niet toegeven aan de sombere stemming en ik bleef.
Op vrijdag was onze oudste zoon ook gekomen voor een weekend. Hij trok verkenning en ik ging met de kleinsten naar het strand. We hadden afgesproken om zes uur thuis te zijn voor het eten maar iedereen was er al om vijf uur en 0niemand begreep waarom.
Opeens stond mijn man in de deuropening. Onze eerste reactie was een blijde verrassing maar ze sloeg langzamerhand om in angst, want mijn man lachte niet, ontredderd stond hij daar.
Toen vertelde hij dat onze zoon een ongelukje had gehad met de bromfiets. Niet erg, vertelde mijn man: "Zijn voet gekwetst en zijn duim gebroken ", maar ik geloofde hem niet, want vader zag er veel te verslagen uit en ik kende hem te goed om te weten dat het erger was.
Dadelijk vertokken we naar het ziekenhuis in Gent en daar zag ik onze zoon bewusteloos liggen, dit zou een zestal weken duren.
In het dichtstbijzijnde ziekenhuis hadden ze hem binnengebracht, dat moet zo, je hebt geen andere keuze, maar och, met een beetje geluk kom je toch bij de juiste dokter terecht.
Verslagen en angstig stonden wij daar, geen dokter te zien, alleen een bazige non die meer uit nieuwsgierigheid naar ons toekwam. Ze vertelde dat ze getelefoneerd had naar haar familieleden, die bij ons in de buurt wonen, om te vertellen dat -waarschijnlijk- de buurjongen werd binnengebracht. Die roddels aan haar familie leken haar belangrijker dan onze bekommernis om onze zoon. We vroegen haar hoe het met onze zoon was gesteld, "Ge zult veel geduld moeten hebben " zei ze, en toen stonden we weer alleen.
Eindelijk kwam de dokter met een specialist bij ons. Die vertelde ons dat onze zoon er erg aan toe was en dat hij eigenlijk nog niet veel kon zeggen: "Een zware hersenschudding? "Het was dus afwachten. We mochten blijven maar waken was niet nodig.
Onze zoon, de tweede uit de rij, zijn naam heeft geen belang, het was ons kind, ik had hem op mijn schoot willen nemen, hem in mijn armen sluiten, weg van alle gevaar, maar helaas kon dat niet. We konden alleen verslagen toekijken, we riepen zijn naam, maar hij reageerde niet.
Mijn man en ik gingen naar huis bij de andere kinderen met in ons hart een groot verdriet. Onderweg stopten we bij onze huisarts die ons troostte en een kalmeermiddel voorschreef.
Zaterdag en zondag gingen we drie à vier keer kijken maar er was geen verbetering merkbaar. Onze zoon was bedekt met iets dat op een strafkleed leek, gemaakt van zwaar zeildoek met riemen en gespen. Dat was iets dat we niet begrepen, maar we durfden niets vragen.
Op Maandag ging ik in de namiddag terug en moest bij de dokter gaan om de toestand van mijn zoon te weten te komen. Hij vertelde mij, met een kille stem, dat ik zelf ook wel kon zien dat onze zoon niet verbeterde. Daarna belde de dokter een specialist op voor een nader onderzoek. "Dit is geen patiënt meer voor mij, ik heb ander werk, de ziekenwagen zal er dadelijk zijn".
Er werd ons niet gevraagd of we akkoord waren met dit alles. Het was of alles voor, maar zonder ons, geregeld werd. Ik vroeg me af indien het de zoon van de dokter was geweest, hij dan ook drie dagen zou gewacht hebben om zijn beperktheid toe te geven.
Ik wachtte op de ziekenwagen en vroeg of het goed was dat ik meereed, want ik had zo 'n vreselijke angst. Ik mocht, en ik probeerde onze zoon naar het A.Z. te krijgen, maar de bazige non vertelde dat een ander ziekenhuis evengoed was.
Toen stapte ik in en de deur sloeg achter me dicht. De ambulancier was helemaal alleen, niemand uit het ziekenhuis ging mee om voor onze zoon te zorgen. In razende vaart (wat helemaal niet nodig was) vertok de ziekenwagen en in de eerste bocht viel onze zoon uit het smalle bedje, want hij was niet vastgebonden. De Chauffeur hoorde mij niet roepen. Gelukkig kon ik hem opvangen omdat ik naast hem zat om het serum vast te houden. Met mijn lichaam steunde ik hem en kreeg ik hem terug op zijn bedje. We kwamen heelhuids aan na die afgrijselijke rit. Ik vertelde aan de ambulancier wat ik allemaal had meegemaakt, maar hij lachte me uit en zei dat ik niet moest liegen. Achteraf vernam ik dat die bewuste persoon, door zijn collegae, "de vliegende zot" werd genoemd.
Nu denk ik nog altijd aan die rit, elke keer als ik in de krant lees dat er iemand is overleden bij het overbrengen naar het ziekenhuis. Waarom kan er geen dokter meegaan -of toch tenminste een bekwaam verpleger- naar ongevallen met gewonden? In hoeverre zijn ambulanciers bekwaam? Ik vraag me dikwijls af, als ik niet had meegereden en onze zoon op de grond was gevallen, of we dan ooit de waarheid zouden geweten hebben.
Die man was alleen, wat niet verantwoord was, en het was puur toeval dat ik tijdig in het ziekenhuis was, omdat wij ongerust waren over onze zoon. Niemand had ons verwittigd dat men hem naar een ander ziekenhuis zou voeren. We hadden waarschijnlijk toch een engelbewaarder die ons begeleidde in die donkere dagen.
Onze zoon werd binnengebracht en ik moest wachten. Een verpleegster kwam bij me op de kamer met een kop koffie, omdat ik er zo verslagen bijzat. Ze vroeg of ik maar één kind had. In het vorige ziekenhuis had iemand me ook al die vraag gesteld, en ik antwoordde dat we zes kinderen hadden en dat er daarvan geen enkel te veel was. Ze verontschuldigde zich voor haar domme vraag.
Daarna kwam er een vriendelijk nonnetje, de hoofdzuster van de gang, ons zeggen dat het onderzoek afgelopen was. Natuurlijk vroegen we of we de dokter konden spreken, we wilden zekerheid. De angst duurde al drie dagen en we wilden liever de waarheid weten.
Het nonnetje ging het vragen en ja, de dokter maakte tijd voor ons. Wij hadden onmiddellijk vertrouwen in die man, wat voor ons een groet steun betekende.
Onze zoon zou niet sterven door het ongeval. Ik vroeg, met benepen hart, of er niets haperde aan zijn longen, want hij wist toch dat onze jongen bijna verdronken was en dankzij een moedige vrachtwagenchauffeur, die op hem mond-op-mondbeademing toepaste, in leven gebleven was. Daar bleek de dokter niets van te weten. Dadelijk werd er een longspecialist bijgeroepen en de medicijnen werden aangepast, helaas drie dagen na het ongeval. Hij mocht niet toegedekt zijn, in tegenstelling met het zwaar dekzeil dat op hem lag, in het eerste ziekenhuis.
Een beetje teleurgesteld gingen we naar huis.
Zes weken zouden we naar het ziekenhuis gaan, iedere keer als ons de onrust bekroop, soms drie maal per dag. Hulpeloos stonden we aan zijn bed, we riepen zijn naam, ik nam zijn hand in de mijne en geloofde dat hij in zijn onderbewustzijn voelde, dat we bij hem waren.
We bleven overeind, we mochten niet toegeven want dit kind had ons nu het meest nodig.
Na vier dagen lichtte de dokter ons in, dat het gevaar voor de infectie op zijn longen geweken was. We hadden geen reden meer tot verdriet, maar we geloofden het niet. Dokters hebben zo weinig tijd om veel uitleg te geven. Intussen bleef onze zoon bewusteloos en zijn rechterhand kromp ineen. Zijn voet, die gekneusd was, bleef stil, geen geluid kwam over zijn lippen. Een motorische handicap, we wisten niet dat zoiets bestond.
Na zes weken veranderde zijn toestand, hij reageerde een beetje. Zijn ogen waren 's morgens een beetje open, zei de zuster. Per dag reden we toen drie keer naar het ziekenhuis, om toch maar een glimp van die verbetering te merken.
Stilaan kwam er weer leven in onze zoon, maar naarmate hij verder ontwaakte, zagen we hoe zwaar gehandicapt hij was. Met een starre blik lag hij daar, we kenden ons kind bijna niet meer. Hij keek, maar hij herkende ons niet. Wij spraken met hem, en ik was vier uur per dag met hem bezig. Ik vertelde hem alles over thuis, de school, zijn vrienden, het trommelkorps waar hij lid van was, en ik voelde dat ik vat op hem kreeg. Ik liet hem niet meer los, hij moest mijn stem herkennen, en geleidelijk werd zijn blik minder star. Ik zat met een breiwerk bij hem en hij volgde mijn bewegingen, dat boeide hem. Het beeld uit zijn kinderjaren, toen ik ook veel breide, kwam waarschijnlijk terug.
Onze buurvrouw, Roza, had een bakje met goudvisjes meegebracht. Zij begreep, zonder hoge geleerdheid, dat de sfeer waarin onze zoon leefde, heel belangrijk was.
Hij volgde me nu ook als ik door de kamer liep. Ik kreeg meer contact, maar hij kon niet praten.
