Arendok

(telouwerel'ers)



In de dorpen rond Arendonk werd door de "Ravelse Pier', de "Desselse Pezerik" de "Retiese Kortoor" of de " Turnhoutse Muggenblusser" of "Bink" in de vorige eeuw' nogal smalend gesproken. Ook over "den Arendonkse Tsjoeker", de wever die met hard labeur thuis achter het weefgetouw kousen moest weven om de eindjes aan mekaar te kunnen knopen. De"tsjoeker" kwam van het tsjoekend geluid dat werd geproduceerd door de weefgetouwen. Toen dit ambacht zo rond de jaren tachtig (in de negentiende eeuw) verdween, moest worden gedacht aan een andere typerende scheldnaam. Het werd "Den Arendonkse Teljorenlikker". Waar men het vandaan haalde, of wie de originele bedenker van deze bijnaam ooit was zal men wellicht nooit kunnen achterhalen Vooral de bewoners van de buurgemeenten legden daarbij de nadruk op het schaarse, armoedige maal dat de Arendonkenaar voorgeschoteld kreeg en die uit grote armoede, niets maar dan ook niets van het schamele voedsel kon overlaten en die dus zijn bord aflikte om toch maar zeker niets verloren te later gaan...
Naar lijst met spotnamen