Dworp

(drankstoepers)



In het uitgestrekte Dworp tussen bossen en op weinig vruchtbare heidegrond leefden heel wat kleine boeren. Vetmesten van enkele varkens was een noodzaak wilden ze het toch wat beter hebben. Aan deze beesten voederden ze dan alle afval en onbruikbare veldvruchten. Het allegaartje werd gekookt, in het dialect was dat "gezuie" en daarna met een houten stamper fijn "gestoempt". De brij die overbleef was zogenaamde "varkensdrank". Het leverde een armoedige weeŽ geur op in de omgeving van hun schamele huisjes. Door de andere dorpen werden ze daarom smalend de "drankstoepers" of de "drankzuiers" genoemd.